Begin met een vast totaal
De drie binnenhoeken van elke driehoek in een plat vlak zijn samen 180°. Als de vorm van een driehoek verandert, kunnen de afzonderlijke hoeken veranderen, maar hun som blijft gelijk.
In de eerste driehoek is 40° + 60° + 80° = 180°. Gebruik de gegeven maten. Een tekening kan een verband suggereren, maar de schijnbare grootte is geen bewijs.
Trek de bekende hoeken af
Een driehoek heeft hoeken van 65° en 45°. Tel die eerst op: 65° + 45° = 110°. De overgebleven hoek is 180° − 110° = 70°.
Controleer door alle drie op te tellen: 65° + 45° + 70° = 180°. Als je een zijde verlengt, is de buitenhoek naast 70° gelijk aan 110°, omdat de twee hoeken op die rechte lijn samen 180° zijn.
Controleer alle drie de hoeken
De volgende driehoek heeft hoeken van 55° en 70°. Bepaal de derde hoek voordat je hieronder kiest.
De gegeven hoeken onderbouwen je antwoord, niet of de tekening er symmetrisch uitziet. Vergelijk in de oefening eerst de grootheden en onderzoek daarna welke verbanden gelijk blijven.
Probeer het
Twee hoeken van een driehoek zijn 55° en 70°. Wat is de derde hoek?
- 55°
- 65°
Antwoord tonen
55°
Goed. 180° − 55° − 70° = 55°. De drie hoeken zijn samen 180°.
Schakel JavaScript in om interactief te antwoorden en je plek in de les op te slaan.
Oefenen: Hoeken