Zet de cijfers uit elkaar en tel ze op
Om een getal van twee cijfers met 11 te vermenigvuldigen, zet je de twee cijfers uit elkaar en schrijf je hun som ertussen.
Bij 35 × 11 zijn de cijfers 3 en 5. Hun som is 8, dus het antwoord lees je als 3, 8, 5. Dat is 385.
Dit werkt omdat 11 gelijk is aan 10 + 1. Dus 35 × 11 is 350 + 35. Door die twee getallen op te tellen, komt 3 + 5 in het midden terecht.
Deze regel geldt voor getallen van twee cijfers. Bij langere getallen gebruik je hetzelfde idee, maar met meer stappen.
Als de som groter is dan 9
In het midden past één cijfer. Als de twee cijfers samen 10 of meer zijn, past de som daar niet in zijn geheel.
Bij 78 × 11 krijg je 7, dan 15, dan 8. Laat de 5 in het midden staan en tel de 1 bij het eerste cijfer op. De 7 wordt 8, dus het antwoord is 858.
78 × 11
= 780 + 78
= 858
Zonder overdracht zou de regel 7158 geven. Dat is veel te groot. 78 is iets minder dan 80 en 80 × 11 is 880, dus het antwoord ligt iets onder 880.
Probeer een som waarbij je overdraagt
Probeer nu 57 × 11. De cijfers zijn 5 en 7 en hun som is 12.
De 12 staat al in het midden van de afbeelding. Bepaal wat het eerste cijfer wordt.
Probeer het
Hoeveel is 57 × 11?
- 527
- 627
Antwoord tonen
627
De 2 blijft in het midden en je telt de 1 bij het eerste cijfer op, dus de 5 wordt 6. De controle klopt: 570 + 57 = 627.
Schakel JavaScript in om interactief te antwoorden en je plek in de les op te slaan.
Oefenen: Hoofdrekenen oefenen